Over Hel, Hemelrijk & Vagevuur

Toponiemen van Oirschot

Door Marcel van der Heijden en Jos Swanenberg

Een gebonden boek met DVD

FlyerOirschot maakt deel uit van de meest innoverende regio van ons land. Deze is in 2012 uitgeroepen tot de slimste regio van de wereld. Daarbij sluit de digitale ontsluiting van de meer dan 4.000 toponiemen (voornamelijk veldnamen) goed aan. Het 24-pagina tellende boek, waarin de interactieve DVD is ingesloten, bevat onder meer een uiteenzetting over het ontstaan en de functie van toponiemen, de werkwijze van de auteurs, de invoering van het kadaster en een handleiding voor de DVD.
Op de menugestuurde DVD kunt u vanaf gemarkeerde locaties op de kadastrale kaart naar de verklarende tekst van een toponiem springen. U kunt ook vanuit een document met alle verzamelde toponiemen met hun beschrijving naar de betreffende locatie op de kadastrale kaart van Oirschot van 1832 springen. De DVD is een waardevolle en onmisbare bron van informatie voor hen die historisch onderzoek doen en zij die geïnteresseerd zijn in de evolutie van het landschap en het gebruik daarvan. Anderen zullen zich de benaming van akkers en weien uit hun jeugd nog herinneren en bladerend door de DVD met weemoed naar deze tijd terugkijken.

Wat zijn precies toponiemen?

Het zijn namen van plaatsen: steden, dorpen, gehuchten, straten, huizen, buurten, akkers, weilanden, beken, enzovoorts. Naast die plaatsnamen hebben we ook namen van personen (en dieren). Als verzamelterm voor alle namen gebruiken we meestal de term 'eigennamen'. Een andere groep zijn 'soortnamen'. Soortnamen hebben een meer algemene betekenis, eigennamen hebben in principe betrekking op één persoon (dier) of zaak. In 'Achter mijn huis ligt een wei' is 'wei' soortnaam. Maar als ik zeg: 'We waren op vakantie in het dorpje Duizel'. We weten wat een dorpje is, maar het woord Duizel zegt ons niets méér dan dat het de naam is van het dorpje dat ik bedoel. Het is een plaatsnaam, oftewel toponiem.

Herkomst en functie van toponiemen

Een gemeenschap van bewoners en gebruikers van land hebben toponiemen nodig om hun landerijen, straten, huizen enz. te kunnen noemen. Sommige toponiemen zijn in een heel ver verleden ontstaan, andere meer recent. De mensen die ze bedacht hebben, gebruikten daarvoor gewone woorden, die ze zinvol vonden als naam voor een bepaalde plek. Maar elke taal heeft de neiging om langzaam maar gestaag te veranderen. Zo raken sommige woorden in onbruik, of krijgen woorden geleidelijk een andere betekenis of vorm. Bijster in de betekenis van 'slecht' bijvoorbeeld, dat we in het toponiem Bijsterveld tegenkomen, wordt niet meer begrepen. Maar het toponiem blijft toch in gebruik, omdat het als naam gewoon kan blijven functioneren, ook al ken je de oorspronkelijke betekenis van dat woord niet meer. Zo bevatten toponiemen dus woorden of woordvormen uit een eerdere fase van de taal. Je kunt het vergelijken met fossielen. Soms is een toponiem ontstaan door de aanwezigheid van iets wat intussen al lang geleden weer verdwenen is. De Schansstraat in Oirschot bijvoorbeeld: de schans waarnaar ze genoemd is, is al lang weg, maar we weten hierdoor dat er in die buurt een geweest moet zijn. Je mag ervan uitgaan dat er altijd een zinnig motief is geweest voor het geven van een naam. Dat kan bijvoorbeeld de vorm van een perceel zijn, de begroeiing, een eigenaar, de kwaliteit van de grond, het gebruik van de grond, enzovoorts. Het is zinvol om van toponiemen die we niet zonder meer begrijpen de originele betekenis te proberen te achterhalen. Proberen, want het lukt niet altijd. Als het wél lukt, ontdekken we iets over vroegere taal, over vroegere toestanden, gebeurtenissen of voorwerpen. Taalkundigen, historici, genealogen etc. zijn hiermee gebaat, maar er zijn ook 'gewone mensen' die graag willen weten: wat betekent die naam oorspronkelijk, waar komt die vandaan? Deze studie over de Oirschotse toponiemen wil hieraan een bijdrage leveren.

Hebben we alle toponiemen van Oirschot?

In principe hebben we alle toponiemen van het gebied van de vroegere gemeente Oirschot (1821-1997) willen samenbrengen. Of dit ook gelukt is, kunnen we niet zeggen. Waarschijnlijk niet, maar het zijn er genoeg om inzicht te geven in een plaatselijk netwerk van toponiemen. De meeste passen in een agrarische samenleving, wat logisch is. Een grote rol speelde bij de naamgeving immers de kwaliteit van de grond: de vruchtbaarheid, de meer of mindere mate van nattigheid, enzovoorts. Maar ook de planten, bomen, landbouwgewassen komen we tegen als we straks, denkbeeldig, door de herdgangen lopen. Herhaaldelijk zullen ook vogels en viervoeters ons pad kruisen. En we zullen zien dat het land er in vroegere tijden anders uitgezien moet hebben. Om misverstanden te voorkomen: de meeste Oirschotse toponiemen zijn niet uniek. Er zijn er nogal wat die we ook tegenkomen in andere plaatsen, te meer naarmate ze dichter bij Oirschot gelegen zijn.

Het functioneren van toponiemen

De functie van de toponiemen kan heel verschillend zijn. Als de landmeter - over wie verderop meer - in 1791 of 1792 bij een grondeigenaar of - gebruiker langskomt, moeten al zijn percelen gemeten worden. Ze worden ook allemaal genoemd. Het kadaster bestaat nog niet, dus wordt hierbij dikwijls gebruik gemaakt van toponiemen. Maar, als een Oirschotse boer zegt 'de Vinkendonk', dan bedoelt hij: mijn stuk grond in de Vinkendonken. Anderen in de buurt noemen hun stuk grond daar ook dè Vinkendonk. Dat wil niet zeggen dat er meerdere Vinkendonken zijn, maar er blijkt wel uit dat dit toponiem een grote spreiding heeft gekregen in de loop van de tijd. Iemand kan een akker vlak bij huis aanduiden als 'Bakhuisakker'. Dat is daarmee nog geen toponiem, maar een plaatsaanduiding die binnen het gezin en bedrijf dienst doet: akker bij het bakhuis. Soms blijft die naam hangen, ook als het bakhuis daar al lang weg is. Dan is het een toponiem geworden. Wij hebben in principe alle plaatsaanduidingen van de landmeter als toponiem behandeld, als we niet kunnen uitmaken of we te doen hebben met een soortnaam, een incidenteel gebruikte aanduiding of echt een geëikt toponiem.
De toponiemenvoorraad van Oirschot in zijn geheel laat zien in hoe een kleine wereld de mensen ooit leefden. Er zijn heel wat toponiemen die in heel verschillende omgevingen, ook binnen Oirschot, voorkomen en dus maar in een heel beperkt gebied een onderscheidende, plaats aanduidende functie hebben.

De landmeter van 1791-1792

Er ontstond in de 18e eeuw behoefte aan een betere opzet van de onroerendgoedbelasting. Daarom gaf de Raad van State in Den Haag, die namens de Staten-Generaal de Generaliteitslanden bestuurde, in 1791 de opdracht in de Meierij van 's-Hertogenbosch alle landerijen op te meten. De landmeter die dit karwei in Oirschot moest klaren, werkte in 1791 en 1792 herdgang voor herdgang af. Binnen elke herdgang liep hij verschillende routes, meestal grillig en in grote kringen. Bij het begin van een nieuwe route gaf hij ongeveer het verloop ervan aan; zo bijvoorbeeld: 'Beginnende aan den hulst en Peperstraat langst Boterwyk op de Polsdonk aan'. Van elk gemeten perceel noteerde hij de oppervlakte, het gebruik, de benaming en de eigenaar. De oppervlakte gaf hij aan in lopensen en/of roeden, waarbij 1 lopense 50 roeden telde; 6 lopensen oftewel 300 roeden is te naastenbij 1 hectare. Het gebruik werd aangegeven met termen als akker of land (dit was hetzelfde), weiland, beemd, bos; 'groes' was tijdelijk niet voor akkerbouw gebruikte grond waarop dan wat gras groeide van weinig kwaliteit. Een perceel kon meer dan één van deze kwalificaties hebben. Een voorbeeld: 6 lopensen 42 roeden, land den Doorensakker, (waarvan) 4 lopensen en 10 roeden groes, Jenneken weduwe Jasper van Overdyk.
Op 19 december 1791 om 8 uur vingen de opmetingen aan, op 12 september 1792 om 11 uur was alles klaar. Op 24 oktober 1792 ondertekenden de gezamenlijke dorpsbestuurderen een verklaring, dat zij "den gezwore Land meter Clasinus van Diggelen hebben doen opmeten alle de landeryen (...), het zy Zaaylanden, wey of hooylanden, beemden, bossen, moervelden, uytgeput of niet uytgeput, hoyvelden of Eeuwsels (weien), met een woord alle bebouwde gronden", volgens de van overheidswege gegeven instructies. De lijsten waarop de landmeter zijn bevindingen per herdgang optekende onder de titel Quohier der Landerijen, zijn nog steeds aanwezig in het archief van Oirschot (RHC-Eindhoven).

Het kadaster

In de Bataafs-Franse tijd (1795-1813) werden voorbereidingen voor de totstandkoming van een kadaster getroffen, maar echte vaart kwam er pas in vanaf 1825. In 1832 was heel Nederland op gelijke wijze opgemeten en waren de nodige bijzonderheden van de percelen: eigenaar, oppervlak, gebruik enz., enz., te boek gesteld. De toenmalige gemeente Oirschot was door het kadaster opgedeeld in zeven secties: Spoordonk (sectie A; niet veel later werd dit H), Hedel (B), Straten (C), de Notel (D), de Heide (E), het Dorp (F) en Boterwijk (G). Het gebied van Boterwijk was ten tijde van de landmeter geen aparte herdgang, maar hoorde bij andere herdgangen, meest bij Spoordonk. Op de Heide, die nog bijna helemaal gemeint was, heeft de landmeter niet gemeten.
Hoe nuttig het kadaster ook was, voor de toponiemen betekende dit het begin van het einde. Voortaan kon elk perceel veel nauwkeuriger aangeduid worden met de letter van de sectie en het perceelsnummer. Deze werden voortaan vermeld in alle officiële stukken, zoals verkoopakten en stukken van het gemeentebestuur. De toponiemen verloren daardoor steeds meer terrein.